De helderheid van een hemellichaam wordt ook wel de magnitude genoemd. Het geeft aan hoeveel straling het object uitstraalt. in 1856 is een logaritmische schaal gemaakt waarmee de helderheid kan worden bepaald. Als 0-punt van de schaal werd de ster Wega gekozen, maar achteraf is dat wat ongelukkig, want deze ster varieert zelf in helderheid. Hoe lager het getal, des te helderder het object is. De schaal is zo opgebouwd dat een object dat een magnitude van vijf punten minder heeft dan een ander object, honderd keer helderder is. Elk punt minder betekent ongeveer 2,5 keer zo helder.

Er wordt een verschil gemaakt tussen de absolute en schijnbare helderheid van een object. In de praktijk hebben we te maken met de schijnbare helderheid en dat is eigenlijk een afgeleide van de absolute helderheid. Uitgaande van de absolute hoeveelheid licht die een object uitstraalt, daalt de helderheid met een factor 4 bij het verdubbelen van de afstand.
Een andere factor is dat licht verstrooid kan worden en dat betekent dat de magnitude van een hemellichaam, die recht boven je staat lager is dan wanneer die aan de horizon staat (dan wordt er namelijk meer licht verstrooid).
Sterren hebben verschillende kleuren en dat betekent dat de verhouding van de hoeveelheid licht bij verschillende golflengtes verschilt. Toch wordt meestal de magnitude gemeten bij een bepaalde golflengte om de verschillen van de sterren vergelijkbaar te maken.

Voor sterren is de schijnbare magnitude redelijk constant gedurende de tijd. Voor planeten is kan die echter enorm veranderen. Dat komt doordat de planeten in een baan om de zon draaien en daardoor de afstand tot elkaar behoorlijk kan variƫren. Een andere reden is dat de binnenste planeten (net als de maan) schijngestalten hebben. Waar de maan om de aarde draait, draaien de planeten om de zon. Je van nieuwe Venus of nieuwe Mercurius kunnen spreken wanneer ze het dichtst bij de aarde staan (en doordat ze van de andere kant worden belicht het minst licht uitstralen). Andersom van volle Venus en volle Mercurius als ze aan de andere kant van de zon staan en de hele schijf door de zon wordt verlicht.

Om een aantal helderheden weer te geven:

  1. Zon (-26,74)
  2. Maan (-12,92 tot -2,50)
  3. Mercurius (-2,45 tot +5,73)
  4. Venus (-4,89 tot -3,82)
  5. Mars (-2,91 tot +1,84)
  6. Jupiter (-2,94 tot -1,61)
  7. Saturnus (-0,49 tot + 1,47)

In de tabel kun je zien dat Venus verreweg de helderste planeet is. Daarna volgen Jupiter, Mars en Mercurius, zie op het helderste ongeveer even helder zijn.
Merk ook op dat kleine planeten die dichtbij staan even helder kunnen zijn als grotere planeten die ver weg staan. Maar als de kleine planeten verder weg staan, worden ze ook veel zwakker. Vergelijk Mars daarvoor maar eens met Jupiter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *