Lezen: Genesis 3: 8-15

Het moet eenvoudigweg voor de Here een pijnlijke teleurstelling zijn geweest dat zijn mensenkinderen niet-thuis gaven toen Hij in de hof hen zocht. Wat was er met Zijn schepsel gebeurd? In het ‘Adam, waar
zijt gij’ (Genesis 3:9) horen we die pijn uitgeschreeuwd! Nog erger wordt het als Hij hoort dat zij ook weigeren hiervoor zelf verantwoordelijkheid te willen dragen en elkaar, de Here Zelf (‘de vrouw die Gij mij gegeven hebt’!) en de slang de schuld geven.

Bleek de schepping van Adam en Eva een kaartenhuis te zijn geweest dat bij de eerste, de beste storm van de verleider instortte? Je zou het zomaar kunnen denken als je vervolgens leest dat zij nu tot stof zullen vergaan. “De ogen van de goddelozen zullen bezwijken, voor hen is ontvluchten verloren. Het uitblazen van de ziel is hun enige hoop”, lezen we in het boek Job (11:20).

Maar zou de Here nu óók niet-thuis zou geven aan Zijn schepselen? Dat kan Hij niet, zoals een vader zijn kinderen niet kan loslaten. Tegenover onze ontrouw staat Zijn trouw (2 Timoteus 2:13). Hij belooft Eva leven, een Kind dat uit haar geboren de slang de kop zal vermorzelen. Daar zal een kribbe en een kruis voor nodig zijn, maar die belofte draagt heel de verdere geschiedenis.
Waar zoekt u het als u over uzelf weer eens teleurgesteld bent en alles u voos en gebakken lucht toeschijnt?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.