Lezen: Micha 4: 1-8.
Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de Heer rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
(Micha 4:1)
Het klinkt hoopvol, zeker in de adventstijd. We koesteren de hoop dat alles goed zal komen. Waarop is die hoop gegrond? Is het een kwestie van positief denken? God moet er moeite voor doen, het is niet zomaar een belofte, het is een ommekeer. Een doorbraak, omdat Hij zijn ‘project’ niet opgeeft.
Aan het eind van Micha 3 wordt geconstateerd dat zijn geliefde volk wordt geleid door lieden die niet rechtvaardig zijn. De profeet gekleed in een geel hesje. Micha neemt geen blad voor de mond, hij heeft daar kracht voor ontvangen van God. Het zijn de woorden die Jezus in de synagoge in Nazaret uitspreekt nadat Hij uit de boekrol van Jesaja heeft gelezen.
Micha lijkt op Jesaja. Zou hij een leerling van Jesaja zijn geweest? Zijn woorden uit de lezing van vandaag lijken heel veel op die van gisteren. In het gedeelte van vandaag heeft Micha een visioen, een vergezicht, iets dat nog niet gebeurt in onze werkelijkheid, maar wel dichterbij komt.
Het visioen van Micha is groots: de tempel in Jeruzalem torent hoog boven al het andere uit, volken gaan erheen op weg en het zal vrede zijn. Dit visioen geeft hoop, hoop dat het beter wordt, dat er vrede komt in een wereld waarin zoveel strijd voorkomt. Juist in de adventstijd moeten we deze woorden lezen, de tijd waarin we uitzien naar de komst van de Heer.
Want God laat de wereld niet in het donker zitten.
