De Romeinen hadden een aantal rituelen, waarin ze de bijval van hun goden zochten, of waarmee ze de voortekens van de goden konden zien. De goden stonden als planeten aan de hemel en konden door middel van astrologie worden geraadpleegd. Belangrijke beslissingen werden niet genomen zonder dat de wil van de goden was bepaald.
Bij de Romeinen was een belangrijke rol weggelegd voor de augurs (of vogelwichelaars). Dit waren priesters die als taak hadden om de auspicia waar te nemen. Ze bepaalden de wil van de goden aan de hand van de vlucht van de vogels. De vogels werden gezien als boodschappers van de oppergod Jupiter.
Er ontstonden regels die weergaven hoe voorspellingen moesten worden gedaan en er werd ook een college van augurs gevormd die in dienst van de staat werkten. Er ontstond ook een onderscheid tussen auspicia privata en auspicia publica. De eerste waren niet officieel en hielden zich bezig met voortekens bij een huwelijk bijvoorbeeld. De functie van publieke augur was enkel weggelegd voor de hoge magistraten, die afkomstig waren uit het patriciaat. De wil van de goden was immers onverstaanbaar voor de gewone mens.
De augurs werden voor het leven benoemd. Lange tijd konden ze zelf voor vervanging van overleden augurs zorgen, maar langzamerhand werd eerst een kiessysteem ingevoerd en later trokken de keizers toch liever zelf aan de touwtjes en benoemden ze zelf de augurs. De onafhankelijkheid van de augurs kwam hierdoor natuurlijk wel in het geding.
De augurs hadden twee belangrijke taken: het bijstaan van de magistraten en het bewaren van de kennis. De augrs mochten de voortekenen niet zelf analyseren, hoewel ze daar vaak beter in waren dan de magistraten. Wel hadden ze het recht om een voorteken gunstig of ongunstig te verklaren en konden ze ook een veto uitbrengen bij publieke transacties. Daarmee hadden ze een macht die ook gereled werd misbruikt.
